STAPPENPLAN REFLECTIE EN DISCIPLINE

Stappenplan (door M. Appelo)

1 Waar heb je last van?

2 Betrek dit op jezelf? Wat is het lastige punt hier? Legt de client het bij een ander neer dan stopt het counsellen hier.

3 Wat wil je bereiken op dit punt? Formuleer wat je wel wilt.

4 Maak van dit punt je prioriteit en vertoon inzet om het te veranderen. Wil je dat? Ja= ga door naar 5. Nee = richt je aandacht op stap 1 op wat anders. Heb je twijfel, ga naar stap 1 en onderzoek de twijfel.

5 Maak een gedetailleerde keten van als…dan… van het probleem (“als ik dit doe dan gebeurt dat..als dat gebeurt dan…denk ik… Als ik dat denk dan…”) samen met de client. Hoe meer details, hoe meer houvast. Vaak is de eerste Als-Dan de nuttigste om aan te pakken. Probeer in te zoomen op details, om zo veel houvast te hebben. Hoe kleiner het detail, hoe meer kans om iets kleins opnieuw aan te leren.

6 Kies nu een Als-Dan keten waar je iets aan wilt wijzigen. Dat is dan iets wat de client zelf doet, niet een ander.

7 Kies per gekozen Als-Dan keten 1 of meerdere interventies. Formuleer dan de interventie als commando aan jezelf. Ban de oude Als-Dan koppeling bijvoorbeeld door een anker, geur of herinnering.

8 Is het de moeite waard om hiermee door te gaan? Ja = ga naar 9. Nee = twijfel, ga naar 6 of 7, of lukt het niet, begin weer met stap 1.

9 Voer nu de interventie uit tot deze Als-Dan keten voorgoed veranderd is. Is het gelukt = ga naar 10. Is het niet gelukt, ga naar 6 of 7 of begin bij stap 1.

10 Herhaal de procedure vanaf 6 of laat het zoals het is.
 

De Theorie (uit Het Gelaagde Brein, M. Appelo - samenvatting door Ton Ammerlaan - HAN)

Onderzoek toont aan

Het brein lijkt een spelletje te spelen met de grote IK om een illusie van veranderingsbereidheid te scheppen. Er lijken drie lagen brein een rol te spelen, die van oud naar meer recent lijk te te zijn geevolueerd: de kern, de hersenstam wordt gevormd door het Reptielenbrein, waarin alle informatie is ingeslepen die op volautomaat wordt gedaan door generaties op generaties hetzelfde te doen. Wat hier gebeurt doet de persoon “omdat hij dat gewend is”. En hier ervaart hij moeite met nieuwe dingen “omdat hij dat niet gewend is”. Hier worden gedachtes en gedrag aangestuurd omdat die nu ‘eenmaal zo gaan’, er zit ‘geen bedoeling achter behalve overleven’. Gedrag wat hier zit neemt de overhand in stressvolle situaties waarin geen tijd /energie is voor het inschakelen van hogere breinlagen.

Het limbisch systeem in de hersenen is een laag hoger, wellicht later geevolueerd, en omvat de gevoelslaag. Hier vinden gedachtes en gedrag hun weg “omdat het zo leuk is” en wordt nieuw als “niet leuk”ervaren. Hier sturen gevoelens het gedrag, en die zijn korte termijn. Mensen stoppen met gedrag wanneer het gevoel zegt dat het pijn doet en niet meer leuk is.  

Daarboven, en waarschijnlijk het meest recent ontwikkeld, is het neo-cortex systeem, waarin het brein verantwoording voor gedrag en gedachtes bewaard. “Ik doe dit omdat het verantwoord is om dat te doen”, en nieuwe dingen ‘moeten verantwoord zijn”. Dit wordt veel benadrukt in de westerse samenleving, zeker gezien de welvaart die deze mensen ruim de tijd geeft om over dingen na te denken. Hierin liggen de kaders opgeslagen die de moderne mens helpt om de werkelijkheid te verklaren.

Waarom is gedrag zo moeilijk te veranderen? Waarin zit de weerstand, en hoe overwin je weerstand? Onderzoek uit de psychiatrie en psychotherapie in combinatie met neurowetenschappen schept de achtergronden over de werking van de hersenen, samengevat in Martin Appelo’s Het Gelaagde Brein.

Toepassingen op leren en afleren

Leren van nieuw gedrag en gedachtes moet dus een weg afleggen van neo-cortex door limbisch om uiteindelijk volautomatisch te worden. Wanneer dan een persoon de noodzaak van een gedrag weet (neo-cortex) en voelt dat dit ook belangrijk is (limbisch) kan het door langdurig oefenen en herhalen gaan inzakken in het lange termijn reptielen brein.  Omgekeerd, moet eenmaal ingesleten gedrag dezelfde lange weg met enorme inspanningen weer worden bijgesteld. Gedrag van bijv. dwanggedachtes wat diep is ingesleten is moeilijk af te leren, maar wat wel kan is het aanleren van nieuwe gedragingen er bij.

Leren lijkt onderhevig aan 5 principes:
- Hoe ouder het gedrag, hoe dominanter. Reptielgedrag is veel ouder dan neo-cortex gedrag, en afleren kost heel, heel veel inspanning. Bijv. een negatief zelfbeeld wat diep in het brein zit geeft weer wat vaak tegen deze persoon is gezegd, of 1x in een trauma. Bijv. piekeren zijn veel acties in het reptielenbrein, waarbij de neo cortex moet bepalen of het ook nuttig is.   

- Oefenen en ervaren baart reflexen. Hoe vaker je iets nieuws doet en hoe meer dit inslijt en als prettig wordt ervaren, hoe dieper het inslijt naar het reptielenbrein. Beloning ervaren is dus een sleutel voor toegang tot het reptielenbrein. Geen wonder dat Orca Award en positieve feedback zo goed werken!

- Hoe bedreigender/frequenter, hoe korter de breinroute. Bij stress springt het brein naar reflexen in het reptielenbrein, omdat er voor reflectie in de neo-cortex of consultatie met gevoelens geen tijd is. Veranderingen hier zijn erg moeilijk, want de persoon heeft misschien wel aangeleerd dat zijn reflex niet goed is, maar er ontbreekt de tijd om in te grijpen. Geurtherapie lijkt hier de enige optie, omdat geur-geheugen rechtstreeks het diepste geheugen stimuleert. Behandelingen waarbij de client bij een stress-situatie de vuisten balt en de armen heft waarbij een geur vrijkomt die hij eerder als positief-kalmerend ervaart lijken goed te werken. Dus dan versterken gedachtes en geur elkaar omdat ze gekoppeld zijn aan nieuw gedrag. Geuren blijken ook bij faalangst goed te werken door positieve gedachten op te roepen. Zo blijkt ook neo-cortex activiteit tijdens een trauma herbeleving goed te werken om de sensatie van de ervaring af te zwakken (bijv snelle oogbewegingen).

- Aandacht is nodig, wat mensen kunnen maar 1 ding tegelijkertijd. Pas wanneer alle aandacht op een gewenst alternatief gedrag is gericht kan ongewenst gedrag wegslijten. Oud gedrag is dan wel geaccepteerd maar de aandacht wordt gericht op nieuw gedrag. Zo is hard werken als afleider en vermijden wel degelijk effectief.

- Afleren kan niet, verzwakken en uitdoven van gedrag wel. Met bijv geheugen-ankers kun je de persoon aan nieuw gedrag blijven herinneren. Veranderingen ontstaan dus pas bij effectieve samenwerking tussen de drie lagen. De student/client maakt dan eerst een kader “Verantwoording waarom hij wil afvallen” en vervolgens creeert hij een goed gevoel om uiteindelijk nieuwe reflexen te leren die niet meteen naar chocolade grijpen.

Wat maakt veranderingen moeilijk, terugval veelvuldig, en uiteindelijk succes lastig?

Onderzoek tont dat de meeste goede voornemens stranden. Van die 20% die toch doorgaan valt binnen 1 jaar 80% weer terug. Voorbeelden? Dieten, goede voornemens? Statistisch is ouder gedrag veel sterker. Appelo stelt zelfs dat psychotherapie-ervaringen eenduidig aangeven dat oude gedrag voorspellend is voor nieuw gedrag. De beste voorspeller van gedrag is het aantal keren dat dit gedrag al eerder is vertoond.

Therapeuten en SLbers denken dat er wel degelijk verandering mogelijk is, maar blijken in de praktijk slechts alleen die mensen in de praktijk te krijgen die ook echt verandering willen en inspanning tonen. De meeste mensen die last ervaren van hun gedrag of gedachtes (80%) laten het er bij zitten en worstelen in stilte verder en zoeken geen hulp. Klinkt bekend?

Deze inzichten leiden tot een ander gesprekspatroon in begeleidingscontext.

De persoon moet eerst bij zichzelf te rade gaan wat de klacht is. Inventariseer je gewoontes, en kijk of de gevoelens en gedachtes erachter kloppen. Ervaar je een probleem als cognitieve dissonantie (“Je denkt/zegt A maar doet B”) dan ervaar je misschien een probleem. De oplossing is dan om dat ongewenste gedrag niet te doen maar iets anders. Punt. Een gesprek start dus als volgt:

  • “Welkom, wat is uw klacht?
  • “in welk kader is uw klacht een klacht? Wie zegt dat? Wie vindt dat? Wat vind u belangrijk?”

De client kan hier toelichten hoe hij vindt dat de wereld in elkaar zit, wat zijn waarden en normen zijn. Pas wanneer tot detail helder is wat de verwachtingen zijn kan het gesprek verder. Maar let op: hier moet een SLBer/cousellor oppassen voor de valkuil dat hij gedrag/gedachtes die hij zelf afkeurt als negatief oplegt aan de client/student. Als de persoon vindt dat iedereen om hem heen moet doen wat hij zegt en dat slaan bij problemen okay is, en dat leren vanzelf moet gaan en docenten nooit onvoldoendes mogen geven als hij altijd is geweest, is dat het kader.

Iedereen heeft een eigen realiteitszin die niet hetzelfde hoeft te zijn voor iedereen. En zolang de persoon geen lijdensweg ervaart is er geen verandering. Er is dan geen zelf motivatie. Appelo stelt dat er twee psychologische mechanismen moeten worden overwonnen om te veranderen en 1 sociale:
1 Cognitieve argumenten verhinderen veranderingen. “Zo ben ik nu eenmaal” kan een dissonantie die er wel is weer ontkrachten. Ook al weet iemand dat hij niet is waar hij wilt zijn en dat zijn gedrag het bereiken van dit doel in de weg zit, dan nog zie je cognitieve reductie aan het werk: Bijv de persoon heeft geen doelen (en dus kunnen verwachtingen ook niet teleur worden gesteld), de persoon ziet alleen voordelen en negeert nadelen, of stelt alle verwachtingen bij. Oplossingsgerichte therapieen dreigen ook deze kant op te gaan door zich te richten om wat de persoon wel kan, en mogelijk de eigen wensen bij te stellen naar de realiteit.

2 Self-serving bias is een ander mechanisme waarbij de schuld buiten de persoon ligt. ‘Wanneer de ander zijn gedrag verandert kan ik beter presteren.” ”Als de ander dit..en dit… niet meer doet ben ik gelukkiger.” Hierdoor hoef je niet naar jezelf te kijken en dus ook niet te veranderen.

3 Sociale druk is een andere sterke factor: conformisme aan de groep (“Zij doen het toch ook!”), wat appeleert aan het reptielenbrein om niet uit de toon te vallen en het limbisch brein omdat het goed voelt, kan leren belemmeren als ook aanwakkeren (je wilt niet achterblijven). Slechte gewoontes blijven soms lang in stand wanneer de sociale druk de bestaande situatie versterkt (bijv. Ex-verslaafden vallen terug in hun vriendenclub). Soms is er sprake van ‘ziektewinst’ omdat ziek zijn iets oplevert (“waarom zou je werken als de bijstand alles betaald?” “waarom druk maken over de onvoldoende als er nog vele herkansingen zijn”). Soms zijn personen subassertief om zo niet op te vallen.

Stelregel voor de therapeut: verandering heeft alleen zin als de persoon de oorzaak bij zichzelf zoekt en overtuigd is dat er iets aan te veranderen is door hemzelf. Een persoon die een innerlijke drang ervaart om het anders te doen, EN een alternatief ziet die het lijden gaat verkorten, gaat investeren in een duurzame verandering.

Deze persoon doet een appel op eigen discipline die hem helpt weerstand te bieden aan de reflexen en aan sociale druk die hem weerhoudt om te veranderen. Deze persoon reflecteert op eigen gedrag en dicht zijn gedrag toe aan eigen fouten. Door bij zichzelf de fout te zoeken en hiermee aan de slag te gaan, ontstaat verandering. Nieuw gedrag en gedachtes voelen dan eerst kunstmatig (= limbisch protest) maar door vol te houden kan het gaan inslijten tot routine. En dan voelt het nieuwe gedrag zowel natuurlijk en past bij zijn doelstellingen, het kader waarin hij leeft.